Bouwadvies Nederland

Woordenboek Bouwkundige Termen

Woordenboek bouwkundige termen

Bezoekers van deze website stellen geregeld vragen over de betekenis van bouwkundige termen. Wij geven antwoorden en plaatsen uitleg over de gebruikte termen op deze site.  Hieronder ziet u de woorden die tot op heden het meest voorbij kwamen.

U kunt de woorden zowel OP CHRONOLOGISCHE VOLGORDE als OP ALFABETISCHE VOLGORDE terugzoeken.

Op chronologische volgorde:


Op alfabetische volgorde:

terug naar boven

WARMTEPOMP

Een warmtepomp is een apparaat dat warmte verplaatst door middel van arbeid. De meest voorkomende toepassing vinden we in koelkasten, waar de warmtepomp wordt gebruikt om de ruimte in de kast te koelen. In dit soort toepassingen wordt de warmtepomp koelmachine genoemd. De ruimte buiten de koelkast wordt hierbij opgewarmd, zodat warmtepompen ook kunnen worden ingezet voor ruimteverwarming. Bijvoorbeeld in supermarkten kan de warmte die uit de koelvitrines gepompt wordt, bijdragen aan de verwarming van de winkelruimte.

Warmtepompen worden ook gebruikt voor verwarming van gebouwen. Vooral als zij gecombineerd worden met zonnecollectoren, kunnen ze een grote vermindering van de CO2-uitstoot helpen realiseren.

Hiernaast de schematische werking van de warmtepomp. 1 is de condensor; 2 de turbine; 3 de verdamper en 4 de compressor

Alle soorten warmtepompen nemen bij lage temperatuur warmte op die bij hoge temperatuur weer wordt afgegeven. Volgens de Tweede Hoofdwet van de thermodynamica gaat dat niet vanzelf, zodat er één of andere vorm van arbeid aan te pas moet komen.

Een Peltier-element zet elektrische stroom direct om in een warmtestroom tegen een temperatuurverschil.

De meest voorkomende soorten warmtepompen werken door een vloeistof bij lage temperatuur te laten verdampen en de damp bij hoge temperatuur te laten condenseren. In het eerste geval moet het kookpunt dus worden verlaagd en/of in het tweede geval worden verhoogd. Het kookpunt kan worden verhoogd door de druk te verhogen met een compressor (pomp), aan de andere kant kan het kookpunt weer worden verlaagd door de druk te laten zakken in een turbine of (meestal) smoorventiel.

Het geheel van verdampen, comprimeren, condenseren en expanderen vormt een gesloten kringloop voor het rondstromende koudemiddel maar niet voor de warmte en de arbeid: aan het systeem wordt netto arbeid toegevoerd (in de compressor), en er wordt warmte verplaatst van de verdamper naar de condensor. Daarnaast ontstaat er extra warmte, geluid en infraroodstraling; deze ongewenste bijproducten heten verlies en gaan ten koste van het rendement.

Zie ook de betekenis van zonneboiler.

terug naar boven

OVERSTEK

Een overstek is de horizontale voorsprong van een bouwdeel of bouwonderdeel, bijvoorbeeld een lijst, verdieping, goot of dak, ten opzichte van hetgeen eronder is gelegen, bijvoorbeeld een gevel. Het bouw(onder)deel ‘steekt’ als het ware ‘over’. Hieronder rechts een verdieping(svloer) die ‘oversteekt’ en links het overstek van een hellend dak(vlak).

 

 

 

 

 

 

 

 

Een overstekende goot of dak houdt het regenwater van de onderliggende gevel weg. Naast een esthetische functie kan een overstek dus ook een beschermende functie hebben.

 

terug naar boven

ZONNEBOILER

Het belangrijkste onderdeel van een zonneboiler is de zonnecollector waarin de elektromagnetische straling van de zon wordt omgezet in warmte.

Het principe van een zonneboiler is eenvoudig: als een tuinslang de hele dag in de zon ligt, wordt het water in de slang erg warm. Zonneboilers maken gebruik van datzelfde principe. Zelfs in de winter als de zon maar een paar uur schijnt, kan zo’n boiler voldoende warm water produceren om te douchen, te wassen of schoon te maken. Sommige systemen leveren ook een bijdrage aan de ruimteverwarming.

Een zonneboiler bestaat uit een zonnecollector en een voorraadvat. De zonnecollector vangt zonlicht op. De moderne vlakkeplaatcollector bestaat uit een absorber met een speciale coating, een zogeheten spectraalselectieve laag. Deze laag heeft een hoge absorptiefacter en tegelijkertijd een lage emissiefactor. (Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld zwarte verf.) Deze laag wordt opgedampt op een metalen plaat, zoals koper of aluminium. Aan de achterzijde van deze metalen plaat lopen dunne leidingen waardoor het collectormedium stroomt, waaraan de ingewonnen warmte wordt afgegeven. De absorber wordt aan de achterkant en zijkant geïsoleerd met een dikke laag steenwol en/of polyurethaanschuim en aan de voorkant met een glasplaat van ijzerarm, gehard glas. De maximumtemperatuur (stagnatietemperatuur) van een collector hangt af van de hoeveelheid instraling en het type collector. Vacuümbuiscollectoren, weer een ander type, kunnen echter wel stagnatietemperaturen bereiken van over de 200 graden Celsius.

De collector wordt in Nederland vaak op het dak van een woning geplaatst. De opbrengst in Nederland is optimaal als de hellingshoek van de collector ongeveer 45 graden is en deze georiënteerd is op het zuiden. Het warme water wordt bewaard in een voorraadvat, omdat de productie van de warmte met behulp van een zonnecollector niet altijd gelijk is aan de vraag. Bij een geopende warmwaterkraan stroomt het koude leidingwater door het opgewarmde voorraadvat naar de kraan. Als het water niet warm genoeg is, dan brengt bijvoorbeeld de cv-ketel, de geiser of een warmtepomp het op de gewenste temperatuur. Dit proces heet naverwarming.

terug naar boven

BOLLENPLAATVLOER

Een variant op de normale breedplaatvloer is de bollenplaatvloer. Dit is een bekistingsvloer waarbij het constructieve deel van de vloer voorzien is van kunststof bollen. Hierdoor zit er minder beton in de vloer en wordt het gewicht van de vloer aanzienlijk verminderd in vergelijking met een massieve vloer van dezelfde dikte.

Vanuit de fabriek worden de elementen voorzien van wapeningskorven met kunststofbollen. Op de bouwplaats worden de elementen tot één geheel gestort.
Indien de vloer in een later stadium aangepast dient te worden, bijvoorbeeld bij het maken van een trapgat cq. vloersparing, is het bij dit type vloer een (extra) aandachtspunt dat geen zwakke plekken in de vloerconstructie mogen ontstaan; er zit immers niet overal beton.
terug naar boven

TENGEL

Een tengel is een houten lat die gebruikt wordt op daken, in plafonds of op wanden. De afmetingen lopen uiteen van 10 x 50 mm tot 22 x 75 mm.

Bij hellende daken zit de tengel (nr. 3 in onderstaande figuur) bevestigd op het dakbeschot. Dit dakbeschot kan bijvoorbeeld plaatmateriaal (nr. 2) zijn, maar ook een plaat bestaande uit o.a. drukvaste isolatie. De tengels lopen van onder (goot) naar boven (nok). Tegen de tengels worden weer de panlatten (nr. 4) bevestigd. De panlatten lopen evenwijzig aan de goot en nok. Aan de panlatten worden de dakpannen (nr. 5) ‘gehangen’.

Dakpannen die gebruikt worden voor het dekken van daken hebben een neus of nok waarmee ze worden opgehangen aan horizontale latten, panlatten van ca. 22 x 35 mm. Zouden de panlatten rechtstreeks op het dakbeschot gespijkerd zijn, dan zou bij mogelijk doorslaand regenwater, dit boven de panlatten op het dakbeschot blijven staan. Om dit te voorkomen, moet er ruimte tussen panlat en dakbeschot zijn; dit wordt verkregen door middel van de tengels.

terug naar boven

BREEDPLAATVLOER

Een breedplaatvloer of bekistingplaatvloer is een vrijdragende systeemvloer en bestaat uit een circa 50 mm dikke vlakke rechthoekige elementen die gemaakt zijn van voorgespannen prefab beton met doorlopende tralieliggers. De vloer is in verschillende diktes, lengtes en breedtes verkrijgbaar. De maximum afmetingen zijn 13m lang, 2,5m breed, 100 mm hoog (zonder betonlaag). De paslengte is onbeperkt mits er voldoende dekking op de strengen ligt. De strengen zijn de voorgespannen staalstaven in het beton. De vloeren zijn in verschillende vormen verkrijgbaar, mits er voldoende oplegging mogelijk is en zijn zowel geschikt voor woningbouw als utiliteitsbouw.

 

Op de bouwplaats wordt een wapeningsnet op de tralieliggers gevlecht en een constructief meewerkende betonlaag op de vloer gestort. Hierdoor ontstaat er een monoliete vloer. Tijdens het bewerken worden de installaties tussen en onder de tralieliggers gelegd. Tijdens het bewerken van de vloer tot twee weken na het storten van de betonlaag worden de vloeren onderstempeld tussen de opleggingen in. Dit wordt gedaan, omdat de prefab bekistingsvloer zonder de wapening en de betonlaag niet constructief dragend genoeg is om het gewicht van zichzelf, de installaties en de werklieden te kunnen dragen. Overigens moet de betonlaag hard genoeg zijn voordat de onderstempeling weggehaald wordt. Hieronder een doorsnede-tekening van een breedplaat waarop de betonlaag reeds is aangebracht op de ondergelegen bekisting: de breedplaten. Om ook de sterkte t.p.v. de naden  -daar waar de platen op elkaar aansluiten-  te waarborgen, wordt koppelwapening aangebracht.

 

terug naar boven

PAUMELLE

Een paumelle is een soort scharnier.

Een scharnier is een metalen onderdeel waaraan een deurraam of luik draait. Het bestaat uit twee ijzeren of koperen bladen, beide aan het einde zo gevormd (knoop) dat ze in elkaar passen. Meestal heeft het ene blad drie en het andere blad twee knopen. Deze scharnierbladen worden met een pen of stift in elkaars verlengde gebracht en vormen samen het draaipunt.
Scharnieren zijn over één as draaibaar, bij sommige raamscharnieren kan de as waarover het scharnier draait, gekozen worden (bij draai/kantelramen). Bommerscharnieren en keukenkastscharnieren zijn een uitzondering, omdat ze twee assen hebben.

Een paumelle is een scharnier met twee ongelijke platen: aan één plaat zit een stift en in de andere zit een gat. De stift zit voor ongeveer een derde deel van de scharnierhoogte aan de plaat vast. Bij alle paumelles kan de deur  -alléén in de open stand-  uit de sponning worden getild.

terug naar boven

CV-INSTALLATIE

Een CV-installatie is een verwarmingssysteem, waarbij de warmte die nodig is voor de verwarming van de vertrekken van een gebouw, centraal wordt opgewekt en met behulp van een warmteoverbrengend medium (stoom, water of lucht) wordt overgebracht naar deze vertrekken. De afkorting CV staat danook voor Centrale Verwarming Het meest bekend is het systeem waarbij radiatoren staan opgesteld die warmte krijgen toegevoerd via stoom- of warmwaterleidingen van een centraleverwarmingsketel. Warme lucht, ook via een kanalenstelsel getransporteerd, wordt rechtstreeks in de vertrekken geblazen.

De naam van het systeem verwijst naar het principe: één enkele warmtebron verzorgt de verwarming in het gehele gebouw. Dit principe was bij de Romeinen reeds bekend, maar was daarna vergeten en het duurde tot het begin van de industrialisering en de ontdekking van nieuwe organische brandstoffen zoals steenkoolaardolie en aardgas voordat het principe opnieuw werd toegepast. Voor deze tijd was de stralingswarmte van het houtvuur of van de steen- kleikachel het enige verwarmingsmedium waarmee mensen zich tijdens de koude seizoenen konden verwarmen. De ontdekking van de nieuwe energiebronnen maakte het opstarten en uitbouw van de industrie mogelijk. Er werden kantoorgebouwen en fabrieken opgetrokken. De mensen brachten nu het grootste deel van hun tijd, zowel in de zomer als de winter, in afgesloten ruimten door. De verwarming van grote ruimten en van meerdere verdiepingen leidde tot de ontwikkeling van nieuwe verwarmingssystemen. Het gebruik van afzonderlijke stookplaatsen was veel te arbeidsintensief en de warmtebehoefte moest, om kosten te besparen, enkel gedurende de werktijden worden gedekt. Een centraal verwarmingssysteem voorziet in al deze behoeften. De open haard wordt tegenwoordig in de geïndustrialiseerde landen alleen nog als luxe gehouden. Het gebruik van een centrale stookplaats in combinatie met een buizenstelsel om de warmte doorheen het huis te leiden is meestal efficiënter.

Het is overigens niet per definitie efficiënter de energie centraal op te wekken. Voorbeelden van andere concepten zijn de zonnehaardwoning of de gaskachel. Het kan efficiënter zijn plaatselijk te stoken, afhankelijk van het soort gebouw en het gedrag van de gebruiker.

terug naar boven

VLOERVERWARMING

Vloerverwarming is een vorm van verwarming die in de vloer is ingebouwd. Al in de Romeinse tijd werd vloerverwarming toegepast door warme lucht afkomstig van een houtvuur door een holle ruimte onder de vloer te laten stromen. Tegenwoordig zijn er verschillende systemen, die elektrisch of met warm water kunnen werken.

Vloerverwarming verwarmt de vloer van een vertrek gelijkmatig door middel van straling. Omdat de vloer met een lage temperatuur wordt verwarmd en een egaal oppervlakte heeft, is er nauwelijks sprake van convectie. Doordat de warmte vrijwel geheel wordt afgegeven door radiatie verdeeld over de gehele vloer, is de warmteafgifte overal in de ruimte gelijk en is er slechts minimaal sprake van temperatuurgelaagdheid in de ruimtelucht. Hierdoor ontstaat een zeer aangename temperatuur. Aan de vloerverwarming is een thermostaatgekoppeld die de temperatuur regelt. Bij een elektronische thermostaat kan deze worden geprogrammeerd. Vloerverwarming wordt vaak opgenomen in een CV-installatie, in plaats van de gebruikelijke radiatoren. De warmteafgifte van de vloer is afhankelijk van een aantal factoren, zoals temperatuur van de vloer, temperatuur van de ruimtelucht, dikte van de vloer en het type vloer. Meestal ligt de warmteafgifte tussen de 50 en 100 w/m².

terug naar boven

STRIJKBALKANKER

Een balk- of muuranker is bedoeld om bij (oude) huizen, boerderijen, bruggen en gelijksoortige stenen constructies de houten balken van de verdiepingsbalklaag aan de gevel te verbinden, om de gevel zo te beschermen tegen uitknikken. Beganegrondbalklagen worden niet verankerd, omdat de muren op deze hoogte niet de neiging hebben uit te knikken, behalve wanneer een kelder of souterrain aanwezig is.

Buitenmuren die evenwijdig aan de balklaag lopen, worden door middel van strijkbalkankers (zie onderstaande afbeelding), aan de balklaag gekoppeld. Een dergelijk anker staat haaks op de balklaag en is aan ten minste drie opeenvolgende balken bevestigd. Een strijkbalk is een balk die evenwijdig aan de buitenmuur loopt; karakteristiek is dat die balk tegen de muur aansluit of hoogstens een zeer kleine tussenafstand daarmee heeft.

Een muur- en strijkbalkanker bestaan uit een veer, ook wel strop, en een schoot, ook wel schieter genoemd. De veer gaat door de muur heen en wordt met een uitgesmeed blad voorzien van gaten aan de balk bevestigd. Aan het andere uiteinde van de veer zit de knoop, hier gaat de schoot doorheen. Deze ankers worden ook wel zichtankersof gevelankers genoemd in tegenstelling tot deblindankers die aan de buitenkant van het gebouw niet zichtbaar zijn.

Wanneer de balken in één lengte van muur tot muur lopen, spreken we van een doorgaande verankering. Is de afstand hiervoor te groot dan dienen de balken op een binnenmuur verankerd te worden, op deze manier ontstaat er een doorgaande koppeling.

Ook eenvoudige muurankers laten vaak enkele ingegroefde tekens zien, de zogenaamde smidstekens. Na 1930 werden muurankers nauwelijks meer toegepast. Soms worden sierankers om decoratieve redenen aangebracht.

terug naar boven

KANAALPLAATVLOER

Een kanaalplaatvloer bestaat uit vlakke rechthoekige elementen die gemaakt zijn van voorgespannen prefab beton. In deze platen zijn holle kanalen aangebracht. Deze kanalen maken de platen lichter zonder dat ze veel van hun sterkte verliezen. Omdat kanaalplaatvloeren relatief licht zijn, worden ze veel toegepast in de woningbouw en utiliteitsbouw. Ze zijn ideaal als verdiepingsvloer, kelderdek of als dak. Ook kunnen ze als beganegrondvloer gebruikt worden, mits ze aan de onderzijde voorzien zijn van isolatiemateriaal. Met deze platen kunnen overspanningen tot 18 meter in de utiliteitsbouw worden bereikt. Voor woningbouw zijn dunnere platen van 6 à 8 meter voldoende. Kanaalplaten worden in een standaard breedte van 1200 mm geleverd. Voor kleinere breedtes zijn speciaal passtroken beschikbaar van 300, 600 en 900 mm.

Kanaalplaatvloeren zijn verkrijgbaar in verschillende diktes, afhankelijk van de overspanning. Kanaalplaatvloeren zijn vrij stevig van zichzelf, maar om de vloeren voor regulier gebruik geschikt te maken wordt er op de plaat een druklaag aangebracht. Dit is een laag van gewapend beton die ervoor dient dat de druk gelijkmatig over de plaat wordt verdeeld. De dikte wordt door berekening bepaald. Hierop wordt een afwerklaag (met daarin eventueel leidingen en vloerverwarming) van 30 tot 50 mm aangebracht, waarop dan weer de vloerafwerking (vloerbedekking, parket, marmoleum, etc.) wordt aangebracht. Bovenstaande afbeelding is een doorsnede van een kanaalplaatvloer met druklaag.

Speciaal voor beganegrondvloeren (zie de afbeelding hiernaast) worden er platen met isolatiemateriaalgefabriceerd. Onder de kanaalplaat wordt dan een laag drukvaste isolatie aan gebracht. Aan de uiteinden van de platen zitten (onderaan) nokken met daar tussenin isolatiemateriaal. Dit is gedaan om de koudebrug te verkleinen.

terug naar boven

EZELSRUG

Een ezelsrug kan in de bouwkunde duiden op twee verschillende toepassingen. Als eerste kan het een gemetselde afwaterende muurafdekking (zie afbeelding hiernaast) zijn. Daarbij kan het een boog zijn bestaande uit twee gelijkvormige boogdelen die licht- en uitgezwenkt zijn en die bij de ontmoeting een spits vormen. Verder wordt een ezelsrugboog gezien als een laatgotische raamtraceringen.

terug naar boven

BROODJESVLOER

Een broodjesvloer, ook wel combinatievloer genoemd, is een draagvloer die fungeert als verloren bekisting bij het storten van beton als vloerplaat. De vloer bestaat uit betonnen balken die een (omgekeerde) T-vorm hebben waartussen elementen van beton of polystyreen (de “broodjes”) worden geplaatst. Over deze vloer wordt de wapening, een stalen net, gelegd, waarna beton wordt gestort om het geheel te koppelen en te verstevigen.

Het voordeel van de broodjesvloer boven dat van een elementenvloer (waar de vloer wordt opgebouwd uit grotere zwaardere elementen) is dat de broodjesvloer bestaat uit kleinere samen te stellen onderdelen, waardoor deze geschikt is om toe te passen op moeilijk bereikbare plaatsen, zoals een uitbouw achter een woning, onbereikbaar voor vrachtverkeer.

terug naar boven

FUNDERING OP STAAL

Fundering op staal is een funderingswijze waarbij de muren meestal door tussenkomst van een verbrede voet op de draagkrachtige bodem rusten. De verbrede voet (nummer 2 in de afbeelding hieronder) is nodig, omdat de door de muur uitgeoefende druk groter is dan de toelaatbare funderingsdruk. Op deze manier wordt ook de stabiliteit van de muren vergroot. De aanleg (onderkant van de fundering) moet vorstvrij zijn om verzakking te voorkomen.

De benaming fundering op staal heeft niets te maken met het materiaal staal. De term komt uit het Oudgermaans ‘stal’ en Oudfrans ‘estal’, wat stand, vaste plaats of staan op, rusten op betekent, vergelijk met opstal. Staal betekent eigenlijk, ondergrond, harde bodem. Vroeger werd de bodem bij de aanvang van de bouw afgegraven tot het funderingsniveau en werd een deskundige geraadpleegd die de ‘staal’ (monster) van de grond beoordeelde en adviseerde of deze ondergrond geschikt was om op te bouwen.

Een fundering op staal is vaak goedkoper dan een fundering op palen, maar vereist een goede ondergrond. Bij klei en veenachtige gebieden is het vaak niet goed mogelijk om een fundering op staal te realiseren, omdat de zettingen hier te groot zouden worden. Een fundering op staal is in gebieden met een ondergrond van zand wel goed mogelijk. De maximale diepte die men de grond in gaat bij deze funderingsmethode hangt af van de opbouw van de grond en de geometrie van het gebouw. Zo zal men bij kelderconstructies dieper kunnen funderen dan bij gebouwen zonder noemenswaardige onderbouw. Eventueel kan men een grondverbetering toepassen.

Bij funderen op staal worden traditioneel sleuven gegraven tot op circa 80 cm beneden het maaiveld (nummer 1 in de afbeelding). De aanleg van de fundering is op deze diepte vorstvrij. Bij erg strenge winters komt de vorst niet onder de fundering. In deze sleuven wordt meestal een kantplank gesteld waartussen de wapening komt. Daarna wordt betongestort en afgewerkt tot bij de bovenkant van de kantplanken. Als het beton voldoende is uitgehard kunnen de funderingsmuren worden opgemetseld tot aan de onderkant van de vloer. Daarop komen de vloeren te liggen, en precies boven de fundering komen de dragende muren van het gebouw te staan. Funderen op staal wordt in Nederland voornamelijk toegepast bij kleinere bouwwerken.

Aangezien dit toch een vrij bewerkelijke methode is wordt de bouwput tegenwoordig meestal machinaal uitgegraven tot de vorstvrije diepte en wordt gebruikgemaakt van funderingselementen van piepschuim die op de juiste breedte worden afgesteld en na het plaatsen van de (prefab) wapening worden volgestort. Het piepschuim zorgt hierbij meteen voor isolatie, zodat er geen uitstraling van warmte uit het bouwwerk via de kruipruimte en de fundering kan plaatsvinden.

Ook kan een fundering op staal nog steeds (ouderwets) geheel uit baksteen opgemetseld worden.

terug naar boven

ZWALUWSTAARTPLAATVLOER

Een zwaluwstaartplaatvloer bestaat uit zwaluwstaartplaten met daarop een dunne laag beton. Een zwaluwstaartplaat is een speciaal zwaluwstaartprofiel gewalste metalen plaat en heeft de vorm (qua doorsnede) van  -het woord zegt het al-  meerdere zwaluwstaarten. Samen met het beton zorgt deze voor een stabiele lichte, maar hoogdraagkrachtige vloerconstructie.

 

In de afbeelding hierboven ziet u een doorsnede van zo’n zwaluwstaartplaatvloer. Een dergelijke constructie wordt vaak toegepast bij de renovatie van een woning, waarbij op een houten balklaag een badkamer gerealiseerd dient te worden. Vaak wordt dan ook gebruik gemaakt van kimband.

De constructie in de afbeelding hierboven bestaat uit (van boven naar beneden):

  • laag beton (al dan niet nog voorzien van een cementdekvloer);
  • metalen zwaluwstaartplaten;
  • houten balklaag.

Enkele eigenschappen op een rijtje:

  • Laag eigen gewicht;
  • Geringe vloerdikte (vanaf 36 mm);
  • Eenvoudige verwerking;
  • Geluidsisolerend (> 40 dB verbetering realiseerbaar).

terug naar boven

KIMBAND

Kimband is een band die je aanbrengt in de ‘kim’ (aansluiting wand op vloer) en dient als extra zekerheid tegen lekkage voor het geval bijvoorbeeld een kitnaad of voeg gaat lekken. In combinatie met speciale afdichtingspasta is lekkage in de hoeken nagenoeg onmogelijk.

Kimband is op rol  -waardoor het misschien in eerste instantie aan een ander product doet denken-  verkrijgbaar bij bijvoorbeeld bouwmarkten.

Kimband wordt o.a. toegepast ter plaatse van kelders (aansluiting keldervloer en opgaand metselwerk) en in badkamers. In dit laatste geval, wordt kimband vaak toegepast in combinatie met een zwaluwstaartplaatvloer (een metalen vloer die qua doorsnede de vorm van een zwaluwstaart heeft en vaak wordt toegepast als bijvoorbeeld een slaapkamer wordt omgebouwd tot badkamer; dit begrip zullen we in een later stadium nader toelichten); ook dan gaat het weer om het waterdicht maken van de aansluiting vloer-wand.

Kimband is ook verkrijgbaar in een meer vloeibare, uitsmeerbare vorm. Na aanbrenging en droging zal deze hetzelfde effect hebben als kimband in bandvorm (op de rol, zoals hierboven afgebeeld). Alle (donker)roze ‘gebieden’ in de afbeelding hieronder zijn middels een kwast voorzien van de (vloeibare, smeerbare) kimband. Zoals u kunt zien, betreft het hier niet alleen de aansluitingen tussen horizontale en verticale vlakken, maar zijn ook wand-wand aansluitingen ‘meegenomen’ en is ook de plek waar straks de kraan komt niet vergeten…


terug naar boven

DIEVENKLAUW

Een dievenklauw is een beveiligingsproduct om naar-buiten-draaiende deuren te beveiligen tegen inbraak. Een dievenklauw bestaat uit twee delen van gehardstaal: een bus en een stift. De bus is meestal 17 mm lang met een uitwendige diameter van 18 mm. De pen is doorgaans 50 mm lang met een diameter van 10 mm.

Een pen wordt onder elk scharnier in de deur gezet en een bus wordt er recht tegenover in de deurpost gemonteerd (andersom is ook mogelijk). Hierdoor kan de deur, wanneer de scharnierpennen zijn vernield, niet meer aan de scharnierzijde worden geopend. Bij buitendraaiende deuren zit het draaigedeelte van het scharnier namelijk aan de buitenkant, waardoor het scharnier vrij eenvoudig te forceren is. Bij sommige scharnieren, zoals bladscharnieren en kogellagerscharnieren, hoeft zelfs alleen maar de pen te worden verwijderd om de deur te kunnen openen; een dievenklauw voorkomt dit.

terug naar boven

SPOUWANKER

Een spouwanker is een onderdeel van een spouwmuur.

Spouwankers worden op bepaalde regelmatige afstanden aangebracht om het het buiten- en binnenblad van een spouwmuur met elkaar te verbinden, zodat een stabiele constructie ontstaat. Spouwankers worden gemaakt van verzinkt staaldraad of roestvast staal en worden in de voeg van de binnenmuur gelegd, waarna de isolatie er op wordt geprikt en met een kunststof isolatieschotel wordt vastgezet. Vervolgens wordt de buitenmuur opgemetseld, waarbij de achterzijde van het spouwanker in de voeg van de buitenmuur wordt gelegd.

Voor de grip zijn de uiteinden van een spouwanker meestal van ribbels of een schroefdraad voorzien, ofwel haaks omgebogen.

De afstand tussen binnen- en buitenblad bepaalt de dikte van het anker en het aantal ankers per vierkante meter. Door hogere isolatie-eisen wordt het isolatiepakket steeds dikker en groeit de spouwbreedte mee. Een ongeïsoleerde spouw is 40 tot 50 mm breed, een geïsoleerde spouw 40 tot 50 mm plus de dikte van de isolatie. Zie energieprestatiecoëfficiënt en warmte-isolatie.

Indien een muur wordt vervaardigd van lijmblokken wordt een ander type spouwanker toegepast dat platte uiteinden heeft. Dit is nodig omdat de voegen van gelijmde muren dunner zijn.

Het slagspouwanker en het boorspouwanker worden gebruikt bij renovaties waarbij de spouwankers vernieuwd moeten worden. Dan hoeft de muur niet te worden afgebroken.

terug naar boven

OPEN STOOTVOEG

Een open stootvoeg is een verticale open ruimte tussen twee metselstenen in metselwerk, gemaakt door een voegtussen de bakstenen open te laten. Open stootvoegen worden gebruikt om de achterliggende spouw te ventileren of om water eruit af te voeren. Deze worden vaak onder en boven gevelopeningen, kort boven het maaiveld, boven ingemetselde waterkeringen en kort onder het dak aangebracht. In onderstaande figuur zijn verschillende open stootvoegen, met verschillende breedten, te zien. In sommige gevallen wordt een metalen gaaswerk aangebracht om te voorkomen dat ongedierte (hommels, bijen, wespen, muizen, e.d.) in de spouw kan komen.


terug naar boven

RAAMDORPELSTEEN

Een raamdorpelsteen is een speciale tegel die een dusdanige vorm heeft dat deze  -aan de onderzijde van een onderdorpel (nummer 2 in onderstaande figuur) van een buitenkozijn-  dienst doet als lekdorpel. Een raamdorpelsteen kan keramisch, m.a.w. van hardgebakken ijzeraarde, maar ook van prefab beton, zijn.

Aan de onderkant van een raamdorpelsteen is, in het overstek voor de gevel, een waterhol aangebracht. Aan de bovenkant ter plaatse van het kozijn bevindt zich een waterkering in de vorm van een opstand, de klik genoemd. Een raamdorpelsteen wordt niet horizontaal maar schuin gezet zodat het (regen)water naar beneden loopt. Het waterhol zorgt ervoor dat het water niet langs de gevel (het deel onder het kozijn; nummer 4 op de doorsnede hiernaast; 5 is isolatiemateriaal) naar beneden loopt, maar dat de druppels in plaats daarvan ter plaatse van het waterhol verticaal naar beneden vallen.
Het oppervlak van een keramische raamdorpelsteen is vorstbestendig verglaasd en is in verschillende kleuren verkrijgbaar. Een raamdorpelsteen is ongeveer 40 mm dik en 100 mm breed, de lengte varieert van 105 tot 280 mm.
Een betonnen raamdorpelsteen is vaak anders van vorm: het verschil is dat de onderzijde vaak horizontaal is (hierdoor kan deze makkelijker gestapeld worden dan een keramische raamdorpelsteen); de bovenzijde is ook schuin (t.b.v. de afwatering).
Een raamdorpelsteen is als het ware een vensterbank (nummer 3 in de afbeelding) maar dan buiten.

terug naar boven

KOOLMONOXIDEMELDER

Eerder hadden we het al over de term rookmelder, die tijdig rook detecteert en zodoende al veel levens heeft gered. Een andere melder die eenzelfde prestatie levert en dit ook in de toekomst zal doen is de kool(stof)monoxidemelder. Dit is een melder die je bijvoorbeeld in de buurt van een gas-, olie-, kolenkachel of geiser kan plaatsen. Een koolmonoxidemelder alarmeert zodra een te hoge concentratie koolstofmonoxide aanwezig is in de ruimte waar de melder hangt. Er zijn ook gecombineerde rook- en koolmonoxidemelders in de handel verkrijgbaar.

Rook- en koolmonoxidemelders zijn verkrijgbaar bij veel bouwmarkten.

Koolstofmonoxide of CO is een verbinding tussen koolstofen zuurstof en een gas dat onder meer ontstaat door onvolledige verbranding van koolstof, fossiele brandstoffen of andere brandbare stoffen die koolstofverbindingen bevatten. Het is een vrij belangrijke stof in de chemische industrie. Koolmonoxide is giftig, kleurloos en reukloos. Hierdoor is het erg gevaarlijk. Het gas is fractioneel lichter dan lucht.

Koolmonoxide of CO moet niet verward worden met kooldioxide(CO2), een stof die vooral bekend is als veroorzaker van de opwarming van de aarde. De volksmond verwart deze twee stoffen vaak met elkaar.

terug naar boven

DRIEKLEZOOR

De term drieklezoor betekent: driekwart metselsteen waarbij de hele steen in de breedterichting is doorgezaagd of ‘afgehakt’. De meest toegepaste drieklezoor is 100mm breed, 50mm hoog en ongeveer 158mm lang (0,75 x 210mm, de standaardlengte)

Afhankelijk van welk metselverband een metselaar toepast, zijn drieklezoren nodig.  In de afbeelding hieronder  -een bovenaanzicht van twee lagen metselwerk-  wordt op de hoek steeds begonnen met een drieklezoor. Dit is de steen waar het kruis in staat. Uiteraard is dit slechts een voorbeeld van hoe een drieklezoor toe te passen is. Er zijn nog legio andere mogelijkheden. Uiteraard zijn er ook andere formaat stenen mogelijk. Deze zullen in een later stadium worden behandeld.


terug naar boven

AFSCHOT

Afschot is een bewust aangebrachte helling van een vlak of leiding, voor het doen af- of weglopen van vloeistof.

Bij wegen is afschot de dwarshelling die in het wegdek wordt aangebracht om een goede afwatering te verzekeren. De helling is afhankelijk van de klimatologische omstandigheden en het soort verharding. Zo is bij betonverharding een hellingspercentage van 2% (1:50) gebruikelijk, bij asfalt 2,5% en bij normale bestrating 2,5% tot 4%.

Een plat dak ligt op afschot zodat het regenwater zich op het laagste punt verzamelt. Op dit laagste punt stroomt het water dan via een regenwateruitloop hemelwaterafvoer naar beneden, alwaar het verder wordt afgevoerd (gemeenteriool/regenton/etc.).
Leidingwerk is op afschot gemonteerd als het (net) niet waterpas is, veelal met de intentie om de vloeistof in het systeem naar een centraal punt te leiden.
Deze situaties doet zich onder meer voor bij rioleringssytemen, leidingwerk ligt op afschot om doorstroming van afvalwater te waarborgen. Afschot van riolering bedraagt 0,5 cm/m (of 0,5%). Is het afschot te groot dan zal het afvalwater te snel wegstromen en bestaat de kans dat niet vloeibare bestanddelen (ontlasting) achterblijven. Is het afschot te klein dan kan het afvalwater te langzaam wegstromen waardoor niet vloeibare bestanddelen zich ophopen. Beide situaties kunnen resulteren in verstopping van de riolering. De rookgasafvoer van HR-ketels moet op afschot in de richting van de ketel worden aangelegd. Zodoende wordt condensvochtteruggevoerd in de ketel alwaar het via een sifon wordt afgevoerd naar het riool.

terug naar boven

ROOKMELDER

Een rookmelder (soms brandmelder genoemd) is een apparaat dat alarm slaat na detectie van rookdeeltjes (aërosols), die kunnen wijzen op een (beginnende) brand. Een rookmelder kan een zelfstandig apparaat zijn, maar steeds vaker zijn rookmelders verbonden met een alarmsysteem.

Het is aan te raden meerdere rookmelders in uw woning te plaatsen. Een goede richtlijn is: 1 per verdieping. Een rookmelder kan zowel tegen het plafond als tegen een wand bevestigd worden. De brandweer adviseert regelmatig te testen of uw brandmelders nog werken (dit kan middels een speciaal knopje op de melder); het kan immers zijn dat de batterijen vervangen dienen te worden.


terug naar boven

MAKELAAR

U kent natuurlijk allemaal de makelaar die uw huis koopt of verkoopt. In de bouwkunde kennen we echter ook de termmakelaar, zelfs in twee verschillende betekenissen:

  • hangstijl
  • gevelmakelaar

Hangstijl

De hangstijl of makelaar maakt onderdeel uit van een spantconstructie: het is de verticale balk die de verbinding vormt tussen de horizontale hanebalk of trekplaten, en de samenkomst van de spantbenen in de nok. Wanneer er bij een schilddak de hoekkeperspanten eveneens in de makelaar eindigen, spreken we van een koningsstijl. De functie van de hangstijl is de beide spantbenen met elkaar te verbinden, de nokgording te ondersteunen en als hangstijl te dienen voor het haanhout cq hanebalk. Zie plaatje met Hollands spant.

Gevelmakelaar

Een gevelmakelaar is de bekroning van een geveltop en is dus in feite een uitwendig onderdeel op het dak (in tegenstelling tot een hangstijl die binnen aanwezig is). De makelaar vormt de verbinding van de windveren en dient tevens ter verfraaiing van de gevel.


terug naar boven

HOUTSKELETBOUW

Houtskeletbouw, afgekort als HSB, is het in een woning (of ander gebouw) toepassen van een houten draagconstructie (skelet of frame).

Houtskeletbouw wordt vaak toegepast in gebieden waar veel hout beschikbaar is of gebieden die niet over voldoende steenachtige materialen beschikken. Geografisch gezien is er danook sprake van een sterke spreiding van houtskeletbouw als constructiemethode. Zo is 90% van alle woonhuizen in Canada en de Verenigde Staten opgetrokken uit houtskeletbouw. Ook in de bosrijke gebieden van de tropen is hout in overvloed beschikbaar. Ten noorden van de Pyreneeën en de Alpen wordt traditioneel veel met hout(skeletbouw) gebouwd. In Scandinavië en Midden-Europa is veel hout beschikbaar en isoleert het relatief goed tegen de kou vergeleken met steen.

Een ander belangrijk voordeel van houtskeletbouw is dat het gebruik maakt van een duurzaam en volledig recyclebaar basismateriaal.

Aangezien hout in ons vochtige klimaat veel onderhoud vergt, worden veel houtskeletbouwconstructies van een buitenhuid voorzien die bestaat uit baksteen, stucwerk of een plaatmateriaal. Door verbeterde houtverduurzamingsmethoden is de toepassing van hout voor de buitengevel de laatste jaren echter sterk toegenomen.

Van houtskeletbouw afgeleide systemen:

  • gipswanden op metalen profielen voor binnenwanden;
  • prefab dakelementen;
  • gevelelementen.

terug naar boven

BETONROT (05-10)

Betonrot is een term die algemeen gebruikt wordt voor schade aan gewapend beton. Meestal bedoelt men schade die ontstaat doordat de in het beton aanwezige wapening begint te roesten. Roesten is een expansieve reactie (roest zet uit) en doet aldus het beton barsten. Dit proces is zeer nadelig voor de sterkte van het beton en aldus voor de gehele betonconstructie. Betonrot komt meestal voor in betonelementen die het einde van hun levensduur hebben bereikt, of wanneer het element niet goed ontworpen of uitgevoerd werd, ook tijdens de levensduur.

Betonrot wordt veroorzaakt door indringing van kooldioxide CO2 van de lucht (carbonatatie) of door indringing van chloriden. Chloride-indringing komt meestal voor in zeeklimaat of op plaatsen waar zout gestrooid wordt zoals bruggen. Betonrot komt ook voor in betonsoorten waar de voorgeschreven hoeveelheid verhardingsversneller calciumchloride (CaCl2) overschreden werd. De chloride werd in dat geval bij het maken van het element toegevoegd als bindingsversneller.

In beide gevallen wordt de beschermende ijzeroxide-laag rond de wapening verbroken. In de buitenlucht schilfert dit roestproduct normaal af, in basische omstandigheden zoals die in beton voorkomen blijft dit een continue laag die zo de wapening beschermt. In gecarbonateerd beton is de pH gedaald zodat de beschermlaag verdwijnt, aanwezigheid van chloriden zorgt ervoor dat de beschermlaag oplost als ijzerchloride FeCl3 en zo uit het beton verdwijnt.

Het betonrotproces kan vermeden worden door:

  • het kiezen van een lage water/cementfactor,
  • een voldoende betondekking te garanderen (wapening diep genoeg plaatsen),
  • het vermijden van de verhardingsversneller calciumchloride (nu in de bouw verboden).

Om betonrot te vermijden zijn er eisen gesteld aan deze factoren, zie milieuklasse beton.

terug naar boven

KALF

In het kader van Wereld Dierendag een dier als bouwkundige term.

Een kalf is een (horizontale) dorpel tussen een raam of deur met een raam daarboven.

Een voorbeeld van een kalf is nummer 1 op de afbeelding hierboven.

Het kozijn hierboven is een kruiskozijn dat in vieren wordt gedeeld door een (midden)stijl (verticaal) en een kalf. Zowel de materialen hout als natuursteen zijn toegepast.

Kruisramen of -kozijnen komen reeds voor in de steenarchitectuur van het 15e-eeuwse Antwerpen.

De beide bovenlichten zijn voorzien van glas-in-lood, na 1650 wordt het glas in houten roeden gezet. De onderste ramen zijn voorzien van luiken, later ook uitgevoerd als glasvensters.

De overige nummers in de afbeelding:

  • 2 = latei
  • 3 = tussenstijl (vroeger ook ‘penant’ genoemd bij dergelijke kozijnen)
  • 4 = neggenblok (steen)
  • 5 = onderdorpel

terug naar boven

GORDING

Een gording is een houten balk of stalen ligger, aangebracht in de lengterichting van een hellend dak(vlak).

Gordingen dienen voor het dragen van de dakhuid, bestaande uit dakbeschot met de dakbedekking (bij een hellend dakvlak zijn dit vaak dakpannen) en verdere belastingen als wind, regen en sneeuw. Gordingen lopen van spant tot spant of van spant tot muur of andere oplegpunten. Bij houten kappen is de onderlinge afstand van de gordingen doorgaans zo’n 1,1 tot 1,5 meter.

De afmetingen en onderlinge afstand wordt bepaald door middel van een berekening, die meestal door een constructeur wordt uitgevoerd. De optredende krachten worden bij de opleg overgebracht op de onderliggende constructie.

Zoals in bovenstaande figuur te zien is, wordt de bovenste gording de nokgording genoemd.
Overige begrippen worden in een later stadium uitgelegd. Blijf het Woord van de Dag dus op de voet volgen!

terug naar boven

SLUITSTEEN (02-10)

Een sluitsteen is een vaak zorgvuldig behakte steen, aangebracht in de top van een boog of op de ontmoetingsplaats van enkele ribben in de top van een gewelf. Wanneer de sluitsteen doorhangt, wordt de term druiper gebruikt. Deze vorm komt voor in sommige laatromaanse Duitse gewelven. Wanneer een sluitsteen in een gewelf ver naar beneden hangt, spreken we van een Mariakroon.

Om te zorgen dat bij een overspanningsconstructie van één steen of hoger de sluitsteen en aanzetsteen (= steen die horizontaal ligt) hetzelfde wordt uitgevoerd, wordt er gebruikgemaakt van de volgende wiskundige formule:
X maal 4 + 1 = juist aantal stenen in een overspanningsconstructie

  • X = aantal lagen in een overspanningsconstructie
  • 4 = getal
  • 1 = zorgt ervoor het aantal lagen oneven wordt

terug naar boven

LATEI

Een latei of draagbalk is een draagconstructie die als functie heeft om belastingen boven wanddoorbrekingen over te brengen op de gedeelten van de wand naast deze wanddoorbrekingen. Wanddoorbrekingen zijn bijvoorbeeld een raam of deur.

Een latei kan zichtbaar worden gemaakt in het metselwerk door een band met verticale stenen (rollaag) te metselen boven het kozijn. Een onzichtbare latei wordt gemaakt door de gevelstenen gewoon in hun verband verder te metselen.

De draagfunctie van de latei wordt door de spouwconstructie in twee delen uitgevoerd. Deze twee lateien maken geen rechtstreeks contact met elkaar, omwille van isolatie.

De latei in het buitenmetselwerk kan een dragend stalen L-profiel (in onderstaande tekening in het roodaangegeven) of een prefab beton latei zijn. De latei voor het binnenspouwblad is ofwel een gewapend beton ofwel een geprefabriceerde bakstenen bak waarin beton wordt gegoten.

Tussen deze twee lateien moeten er wel de nodige vochtwerende folies worden aangebracht om het binnensijpelende regenwater terug naar buiten te leiden. Boven een latei vinden we daarom vaak open verticale voegen, ook wel open stootvoegen genoemd.

In oudere constructies zonder spouwmuren werden lateibalken zichtbaar ingemetseld in staal of hout. De lateibalken in staal waren vaak twee vastgeboute I-profielen met daartussen een houten balk ter opvulling van de tussenruimte. Op de plaats van de bouten vinden we in de gevel kleine rozetten ter versiering.

Wanneer de belasting en de overspanning niet te groot zijn, kunnen strekken of ontlastingsbogen dienen om de krachten over te brengen.

Een ander woord voor latei is draagsteen of draagbalk.

terug naar boven

TRASRAAM

Een trasraam of cementraam is het gedeelte van een gemetselde muur van 5 lagen onder tot 5 lagen boven het maaiveld, uitgevoerd in harde steen (zogenaamde klinkers) en harde specie tegen het optrekken van vocht vanuit de bodem rondom een gebouw.

Bij veel gebouwen is een dergelijk tras- of cementraam duidelijk te herkennen aan de afwijkende kleur van de steen ten opzichte van de rest van het metselwerk.

Zonder tras- of cementraam kan er vorstschade ontstaan in de onderste bakstenen door optrekkend en bevriezend vocht. Als er in de steen water aanwezig is en dat bevriest gaan de stenen kapot, omdat het volume van ijs groter is dan dat van water. Men spreekt dan van stukvriezen.

Bij trasramen werd de metselspecie daarvoor gemaakt van tras en zand. Nu past men als bindmiddel vrijwel altijd cement toe. Dit kan portland- of hoogovencement zijn. Moderne bakstenen worden gefabriceerd door middel van een nauwkeurig gereguleerd en gecontroleerd proces, waardoor het hele baksel van dezelfde hoge en homogene kwaliteit is. Stenen voor gevelmetselwerk vertonen dan ook geen capillaire werking, met als gevolg dat een tras- of cementraam niet meer nodig is.

terug naar boven

MAAIVELD

Het maaiveld (afgekort MV) is, anders dan het lied van Acda & de Munnik doet vermoeden, een aanduiding voor de hoogte van het grondoppervlak. Maaiveldhoogte wordt vaak opgegeven ten opzichte van een nationaal nul-niveau. In Nederland is dat het NAP, in België het TAW, in Duitsland Normalnull (NN). Het maaiveld kan bijvoorbeeld 30 meter boven NAP liggen.

Dieptemeting van monsters uit een grondboring wordt in eerste instantie gedaan ten opzichte van het maaiveld of een punt dat hiernaar refereert. Een gebruikelijke notatie is: 2.00-3.00 m. -MV (twee tot drie meter onder maaiveld). Later, na het uitvoeren van een waterpassing, worden deze monsterdiepten vaak naar hoogten ten opzichte van NAP omgerekend.

De aanduiding wordt in de bouwwereld vaak als referentiepunt gebruikt voor het aanduiden van de hoogte van vloeren e.d. in gebouwen. De bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer heet dan peil (afgekort P).

Ook in andere disciplines wordt de maaiveldhoogte als referentiepunt gebruikt. Zo is de ontwateringsdiepte het verschil in hoogte tussen de grondwaterstand en het maaiveld. Een instrument dat dit verschil meet is een grondwatermeter.

terug naar boven

 

Bouwadvies Nederland